Regelmatig speel ik nog een potje Call of Duty, of duik ik in Battlefield 6, waarin ik even helemaal kan verdwijnen. En soms lees ik dan in een comment onder een YouTube video: “Man, ik word oud… bijna 30.” Dan moet ik altijd glimlachen. Bijna dertig. Ik ben inmiddels een heel stuk verder dan dat, 64, en toch game ik nog steeds. Niet omdat ik jong wil blijven, daar gaat het eigenlijk helemaal niet om. Ik speel nog steeds omdat gamen al bijna mijn hele leven onderdeel van mij is. Het hoort erbij, net zoals mijn liefde voor technologie, computers, gadgets en alles wat verwondering oproept.
Mijn verhaal begint ergens halverwege de jaren zeventig. Mijn eerste echte herinnering aan videogames is niet eens thuis, maar buitenshuis. Een scherm met iets wat sterk leek op Pong. Twee balkjes, een vierkant blokje als bal en een lijn in het midden. Als je dat nu ziet, denk je waarschijnlijk: was dát nou bijzonder? Maar toen voelde het bijna magisch. Je moet begrijpen dat een televisie in die tijd vooral iets was waar je naar keek. Het zond uit en jij ontving, meer niet.
En ineens gebeurde er iets totaal nieuws. Het scherm reageerde op jou. Jij deed iets met een controller en het beeld veranderde. Dat klinkt nu heel normaal, maar toen voelde het alsof je even een glimp van de toekomst zag. Dat gevoel van verwondering ben ik eigenlijk nooit meer kwijtgeraakt. Met het hele gezin voor de TV, urenlang spelen, mijn vader, moeder, broertje, gepassioneerd naar de TV kijken en spelen, een prachtige herinnering.
Niet veel later kwam de eerste grote wens: een Atari 2600. Ik wilde er een, heel graag. Zoals zoveel jongens in die tijd waarschijnlijk deden, liet ik dat thuis ook regelmatig merken. Toen hij uiteindelijk in huis kwam, veranderde er iets. Niet alleen omdat ik games kon spelen, maar omdat er ineens een nieuwe wereld open ging. Achteraf zie ik dat gaming voor mij vanaf het begin méér was dan alleen spelen. Het was techniek, verbeelding en ontdekken.
En misschien was dat voor mij extra krachtig, omdat ik sowieso al gefascineerd was door technologie. Ik hield van elektronica, van knopjes, schermen, schakelaars, van apparaten die iets konden wat daarvoor onmogelijk leek. Maar er was nog iets dat minstens zo belangrijk was: ruimte. Ik was gek op sciencefiction. Star Trek maakte enorme indruk op me. Niet alleen de ruimteschepen en futuristische techniek, maar vooral het idee dat er altijd méér was. Meer dan wat je kon zien. Meer dan de wereld waarin je dagelijks leefde. Dat gevoel herken ik achteraf ook in gaming.
Games gingen voor mij nooit alleen over winnen. Ze gingen over ontdekken, over werelden betreden die groter voelden dan je eigen kamer. Games als Space Invaders maakten daarom enorme indruk. Die simpele aliens die langzaam dichterbij kwamen, die spanning van net op tijd reageren, het was verslavend in de meest onschuldige vorm. Later kwamen nieuwe consoles. De ColecoVision bijvoorbeeld met Donkey Kong. Maar ook de Commodore 64 werd onderdeel van mijn collectie, compleet met cassettedeck en spellen als The Olympics. Hardlopen met een controller, het was soms bijna een workout op zich.
Elke generatie voelde weer als een sprong vooruit. Betere graphics, soepelere bewegingen, meer detail. En toch bleef het onderliggende gevoel hetzelfde: verwondering. Maar zoals dat gaat in het leven, kwam er een periode waarin gamen wat meer naar de achtergrond schoof. Studie, werk, relaties, verantwoordelijkheden, kinderen. Het echte leven werd voller. Dat is eigenlijk het mooie en tegelijk het vreemde van hobby’s. Soms verdwijnen ze uit beeld, maar ze verdwijnen niet echt. Ze wachten gewoon geduldig ergens op de achtergrond.
Bij mij was dat precies zo. Gaming ging nooit helemaal weg, het kwam steeds weer terug. Ondertussen had ik wel een ZX Spectrum en leerde ik programmeren in BASIC. Toen ontstond ook mijn liefde voor Apple. Via de Apple IIe ontdekte ik dat je een computer niet alleen gebruikte, maar ook kon uitbreiden en aanpassen. En wat wilde ik destijds graag een Macintosh. Helaas was die toen voor mij onbetaalbaar. Later kocht ik er wel één, en die heb ik nog steeds.
In de jaren negentig veranderde er opnieuw iets groots. De pc deed zijn intrede. Of beter gezegd, de home computer werd bereikbaar voor gewone mensen zoals ik. Ineens stond er niet alleen een machine in huis om op te werken, maar ook een machine waarvan de mogelijkheden bijna eindeloos leken. In die tijd schreef ik een volledig softwarepakket voor het familiebedrijf, inclusief klantendatabase, bestellingen via fax, voorraadbeheer en facturatie. Ook daarin bleef die fascinatie voor techniek en vooruitgang aanwezig. Maar met die home computer ging ook op gaming gebied een compleet nieuwe wereld open.
Nu kreeg je shareware, floppy’s, cd-roms en games die je soms via-via kreeg van vrienden of collega’s. En laten we eerlijk zijn: in die tijd was de helft van het avontuur al om een game überhaupt werkend te krijgen. Drivers installeren, configuratiebestanden aanpassen, geheugen vrijmaken. Soms voelde dat als een game op zich. Maar wat een tijd was dat.
Games als Wolfenstein 3D en Doom voelden revolutionair. Ineens zat je niet meer vóór een wereld, maar ín een wereld. Voor het eerst voelde 3D echt als een grote stap. Er kwamen ook vluchtsimulators. Microsoft Flight Simulator was voor mij geen gewone game. Het ging niet om winnen of verliezen, maar om leren, navigeren en begrijpen. Om de ervaring. Om even het gevoel te hebben dat je daadwerkelijk daar was. Misschien is dat wel een terugkerend thema in alles wat ik mooi vind. Niet alleen kijken, maar ervaren.
Toen de pc’s krachtiger werden, veranderde gaming opnieuw. Cd-roms kwamen, grafische kaarten werden beter en 3D-versnellers deden hun intrede. En ineens kreeg je momenten waarop je letterlijk dacht: dit kan toch niet nóg mooier worden? En toch gebeurde dat steeds weer. Elke paar jaar opnieuw. Een nieuwe videokaart, meer geheugen, een snellere processor. En telkens dacht je: nu zijn we er. Tot de volgende sprong.
Games als Quake en later Wing Commander IV brachten dat sciencefiction gevoel opnieuw tot leven. Vooral Wing Commander raakte precies dat deel van mijn verbeelding dat al jaren gevoed werd door Star Trek en ruimtevaart. Daar kwam alles samen: techniek, verhaal, beleving en die blijvende fascinatie voor ruimte. Maar ook games als Age of Empires, Command & Conquer: Red Alert en Myst maakten diepe indruk. Graphics werden realistischer, werelden groter en online gaming veranderde de manier waarop we speelden compleet. Mijn liefde voor games kon ik ook delen met mijn beide zoons.
Op een gegeven moment begon ik ook zelf pc’s te bouwen en te upgraden. Voor iemand met liefde voor techniek is dat natuurlijk gevaarlijk terrein. Want ineens speel je niet alleen games, je bouwt ook de machine waarop je ze speelt. Dat werd bijna een hobby binnen de hobby, de ultieme combinatie van techniek en beleving. Thuis bouwde ik een compleet netwerk waarbij alle computers met elkaar verbonden waren, zodat ik samen met mijn zoons kon gamen. Wat een tijd was dat. En weet je? We gamen nog steeds samen, een paar keer per week.
Daarna raakte gaming door omstandigheden weer even op de achtergrond, totdat Call of Duty: Modern Warfare uitkwam in 2019. Ik kocht een PlayStation 4 met de game en het voelde meteen weer als vanouds. Alleen zijn een console en controller niet echt mijn ding, dus begon ik opnieuw een pc te bouwen. Daarna kwam covid. We zaten massaal binnen en kwam Call of Duty: Warzone uit. Een battle royale waarin je met 150 spelers solo of in teams strijdt om als laatste over te blijven. Het feit dat je gewoon met je teamgenoten kon spreken binnen de game was in deze covid periode een welkome sociale bijkomstigheid. Dus we gingen amen lootboxen openen, cash verzamelen, loadouts kopen bij buy stations en proberen als laatste over te blijven. Een compleet nieuwe dynamiek.
Misschien is de rode draad van dit hele verhaal wel de techniek. Ik hield nooit alleen van games, ik hield minstens zo veel van de techniek. Het bouwen en de verwondering over wat allemaal mogelijk was en nog steeds is. Mijn huis is inmiddels uitgegroeid tot een volledig Smart Home. Ik vlieg met drones boven de Zwitserse Alpen en blijf me verwonderen over wat techniek mogelijk maakt.
En als iemand dan vraagt: “Speel jij nog videogames op jouw leeftijd?” dan is mijn antwoord simpel. Ja, absoluut. Niet omdat ik jong wil lijken en niet omdat ik iets probeer vast te houden, maar omdat dit altijd onderdeel van mijn leven is geweest. Ik was erbij toen games de huiskamer binnenkwamen. Ik was erbij toen twee witte balkjes op een scherm genoeg waren om pure verwondering op te roepen. Ik was erbij bij Atari, cartridges, arcades, pc’s, cd-roms, videokaarten, simulators en online gaming.
Ergens is dat misschien nog wel het mooiste. Na al die jaren ben ik er nog steeds. Nog steeds verwonderd. Nog steeds soms gefrustreerd wanneer techniek niet doet wat ik wil. Maar vooral nog steeds nieuwsgierig. Misschien is dát uiteindelijk de kern. Niet het gamen zelf, en ook niet de hardware, de graphics of de steeds snellere techniek. Het is dat gevoel dat ik als jongen al had, toen ik voor het eerst ontdekte dat een scherm niet alleen iets was waar je naar keek, maar iets waarmee je kon interacteren. Dat moment van verwondering, dat besef dat technologie werelden kan openen die er daarvoor niet waren. Dat gevoel is nooit verdwenen.







Geef een reactie