De dag begon vroeg, geen haast, niet met dat gevoel van moeten, maar met die stille spanning die je voelt als je weet dat er iets bijzonders wacht. Buiten hing nog die typische Zwitserse frisheid in de lucht terwijl ik aan het ontbijt zat met een stuk Butterzopf, ondertussen al half in gedachten tussen de bergen. Rugzak klaar, drone mee, camera’s opgeladen. Nog één keer controleren of alles in de rugzak zit, daarna de auto in richting Stechelberg. Deze rit noem ik altijd ‘naar het einde van de wereld rijden’ alsof je stukje bij beetje een andere wereld binnenrijdt, omdat de weg echt stopt in Stechelberg en er daarna alleen maar bergen zijn. Geen wegen meer, alleen wandelpaden en natuurlijk Kabelbaan Station Schilthorn.
Via het Kabelbaan station kun je nog de oude kabelbaan nemen die langzaam omhoog klimt naar Gimmelwald, Gimmelwald blijft zo’n dorp dat bijna onwerkelijk aanvoelt. Klein, oude houten huizen, smalle paadjes, bloemenbakken aan verweerde balkons. Nieman heeft daar haast, er is geen drukte, alleen rust, koeienbellen en bergen. Beneden in het dal hoor je nog ergens het gewone leven, maar hierboven verdwijnen die geluiden en ervaar je rust.
Bij het uitlopen van het kabelstation keek ik nog één keer in Komoot waar ik de wandeling in had gemaakt. Vijf kilometer heen, vijf terug. Duizend hoogtemeters. Op papier klinkt dat nog beheersbaar. Tot je bedenkt dat die duizend meter echt steil omhoog gaan. Ik hoorde Elly haar stem weer in mijn hoofd. “Weet je wel hoe steil dat is?” Toen ik de route thuis maakte had ik dat lachend weggewuifd. Zal wel meevallen, dat dacht ik toen nog.
Aan de rechterkant zag ik in de verte Bryndli Peak liggen. Vorig jaar stond ik daar nog boven. Dat moment kwam ineens weer terug alsof de berg me herkende. Maar vandaag lag het pad aan de andere kant van het dal. Verder omhoog, wilder ook. De piek waar ik nu heen moest keek me van grote afstand al uitdagend aan. Zo’n berg waarvan je diep van binnen eigenlijk meteen weet dat hij je gaat slopen, alleen wil je dat nog niet toegeven.
De route begon verraderlijk vriendelijk. Eerst zelfs een klein stukje dalen vanuit Gimmelwald, richting de Sefinen Lütschine. Een smal houten bruggetje over het kolkende water. Nog even voelde het licht en ontspannen. Maar direct daarna begon het echte werk.
Het pad dook het bos in en ging vrijwel meteen stijl omhoog. Geen rustig wandelpad, geen geleidelijke klim. Boomwortels, losse stenen, zand en scherpe bochten tussen de bomen door. De eerste honderden meters waren genoeg om te begrijpen dat dit geen gewone wandeling was. Ik bleef wachten op dat moment waarop het wat vlakker zou worden. Dat moment kwam niet. Integendeel. Sommige stukken tikten richting de 45 procent stijging. Geen wandelen meer eigenlijk, meer een voortdurende strijd tussen ritme, ademhaling en zwaartekracht.
Af en toe bleef ik even staan. Niet alleen om op adem te komen, al was dat soms een mooi excuus. Maar vooral omdat je hier steeds opnieuw wordt verrast als je achterom kijkt. Terwijl je omhoog worstelt ontvouwt het dal zich langzaam onder je voeten. Achter je verschijnen telkens weer nieuwe bergwanden, alsof het uitzicht zich pas prijsgeeft aan mensen die bereid zijn ervoor te werken.
Hoe hoger ik kwam, hoe stiller het werd. In het bos kwam ik bijna niemand tegen. Slechts één stel ergens onderweg. Verder alleen het geluid van mijn schoenen op het grind, mijn ademhaling en af en toe het geruis van water ergens diep beneden. Er hing iets bijzonders in die stilte. Niet ongemakkelijk, eerder alsof de berg je langzaam dwingt om alles van beneden los te laten. Geen werk. Geen verantwoordelijkheden. Geen volle agenda’s. Alleen de volgende stap.
Toen ik uiteindelijk het bos uitkwam, zag ik pas echt waar ik mee bezig was. Voor me lag de helling naar Tanzbödeli. Steil. Open. Ruw. Van beneden leek het bijna onmogelijk dat daar überhaupt een pad liep. Kleine zigzagsporen tussen gras, stenen en rotsen. Vanaf dat moment werd het minder wandelen en meer klimmen. Stap voor stap. Soms met handen erbij. Soms even stilstaand om adem te halen terwijl ik omhoog keek naar een top die nauwelijks dichterbij leek te komen.
En toch gebeurt er onderweg iets vreemds op zulke momenten. Juist wanneer het zwaar wordt, wanneer je benen protesteren en je hartslag blijft hameren, ontstaat er ook rust. Alsof alle ruis langzaam uit je hoofd verdwijnt. Geen ruimte meer voor overdenken, alleen nog focus, ademhalen, bewegen, doorgaan. Misschien is dat precies waarom ik dit nodig heb. Even weg uit alles wat altijd aandacht vraagt. Werk, verantwoordelijkheden, mantelzorg, altijd beschikbaar moeten zijn. In die bergen valt dat allemaal niet weg, maar het komt wel op afstand te staan. Alsof de wereld beneden heel even zachter wordt terwijl je jezelf hier boven opnieuw oplaadt.
De laatste meters naar Tanzbödeli waren het zwaarst. Meer rots dan pad. Losse stenen. Kleine klauterstukken. Maar ineens was daar het plateau. Wat ik toen nog niet wist, was dat Tanzbödeli zo’n plek is waar bijna iedereen dezelfde reactie heeft. Niet omdat iemand dat vertelt, maar omdat woorden daar ineens tekortschieten. Je loopt de laatste meters omhoog, stapt het grasplateau op en blijft vanzelf even stilstaan. Gewoon omdat je hoofd een paar seconden nodig heeft om te bevatten wat je ogen zien. Wat een plek, wat een uitzicht!

Tanzbödeli betekent letterlijk “dansvloer”, een hoge groene richel tussen het Sefinen- en Lauterbrunnendal. Een plek waar de bergen in een perfecte cirkel om je heen lijken te staan. De Jungfrau, Gletscherhorn, Breithorn, Tschingelhorn. Gletsjers die aan donkere rotswanden kleven alsof ze elk moment naar beneden kunnen schuiven. Diepe valleien, watervallen in de verte, wolken die langzaam tussen de toppen door bewegen. Geen wonder dat dit dal voor Tolkien de inspiratie was voor Rivendell.
Het was bewolkt die middag, maar juist dat gaf de plek iets bijzonders. Geen perfecte ansichtkaartlucht, geen fel toeristisch blauw, dit voelde rauw en echt. Mysterieus bijna, alsof de bergen zichzelf maar half wilden laten zien. En het meest bijzondere misschien nog wel, ik was er alleen. Geen stemmen, geen drukte, alleen wind, wolken en bergen. Alsof de hele Jungfrau-regio voor heel even alleen van mij was.
Na een tijd daar boven gezeten te hebben, wat gegeten, gekeken, gefilmd en vooral geprobeerd alles in me op te nemen, begon de terugweg. En die bleek misschien nog wel zwaarder dan de klim omhoog. Het was lichtjes begonnen te regenen, los grind, gladde rotspaden, vermoeide benen die bij iedere stap moesten corrigeren. Volledige concentratie om niet uit te glijden. Vooral op de steile stukken voelde het alsof de berg je nog één laatste test gaf voordat je weer naar beneden mocht.
Toen uiteindelijk de eerste houten huizen van Gimmelwald weer verschenen voelde dat bijna onwerkelijk. Alsof ik urenlang ergens buiten de normale wereld had rondgelopen en langzaam weer terugkeerde. Kapot was ik. Echt kapot. Maar ook voldaan op een manier die moeilijk uit te leggen is aan mensen die dit nooit hebben gevoeld.
Sommige tochten vergeet je na verloop van tijd een beetje. Mooie dag, mooie foto’s, klaar.
Maar sommige blijven onder je huid zitten. De Tanzbödeli Trail is er voor mij zo één geworden. Niet alleen vanwege de uitzichten of de zwaarte van de klim, maar omdat het zo’n dag was waarop alles even samenkomt. Stilte, inspanning, twijfel, doorzetten, vrijheid. Een tocht waarvan je onderweg al voelt dat je hem nog lang in je herinneringen mee gaat dragen.








Geef een reactie