Het werk is weer afgerond, de avond dient zich aan, gegeten, keuken opgeruimd, tijd voor ontspanning terwijl ik het raam een stukje openzet. De stad ligt onder me, stil maar niet echt stil. Een enkele auto, ergens een stem, de zachte aanwezigheid van licht dat nooit helemaal uitgaat. Ik zit in mijn stoel, dezelfde stoel waarin ik altijd zit als ik even fijn in gedachten verzink.
Op mijn tafeltje naast de stoel ligt deze keer niets bijzonders, geen boek, geen telefoon, leegte. Mijn handen, losjes in elkaar, alsof ze iets proberen vast te houden wat er niet meer is. Weet je, ik doe mijn best, dat heb ik altijd gedaan. Niet half en niet een beetje, gewoon alles altijd goed willen doen. En toch voelt het alsof ik zelf steeds nét te laat kom. Alsof anderen een pad hebben dat vanzelf opent, terwijl ik telkens opnieuw moet zoeken naar een deur die al bijna dicht is.
Mijn blik gaat naar beneden, naar de straat. Mensen die doorlopen, richting hebben, een bestemming. Ik ken dat gevoel ook, heb het zelfs vaak maar het blijft niet altijd, soms vloeit het weg. Er zit iets in mij dat altijd blijft duwen. Niet hard, niet dwingend maar wel aanwezig. Alsof er een vraag is die nooit helemaal wordt uitgesproken. Waarom? Niet hardop, nooit hardop.
Mensen die mij kennen weten dat ik niet iemand ben die klaagt. Ik wil anderen niet belasten met iets wat ik zelf ook nog niet begrijp. En eerlijk, er zit ook iets van trots in. Niet het harde soort, meer het stille soort, het soort dat zegt: ik red me wel.
Dus ik glimlach, zeg dat het goed gaat, maak een opmerking, stel een vraag terug, luister. En dat luisteren kan ik goed, misschien té goed. Want luisteren naar anderen is makkelijker dan luisteren naar wat er diep van binnen zachtjes blijft fluisteren.
Soms, niet vaak, maar wel vaker dan ik wil toegeven, voelt het alsof alles wat ik vastpak, net niet blijft liggen. Alsof ik net genoeg hoop krijg om door te gaan en net niet genoeg om het echt te laten landen.
Voorzichtig leun ik iets naar achteren in mijn stoel. Misschien ligt het niet aan kracht, denk ik, misschien is het geen falen. Misschien is het gewoon moe zijn. Moe van het blijven proberen zonder dat iemand echt ziet hoe zwaar het soms voelt. Moe van het zeggen dat het goed gaat, terwijl het dat eigenlijk niet is. Moe van het blijven staan, terwijl ik heel even gewoon gedragen zou willen worden.
Mijn blik blijft hangen op het licht van een appartement verderop. Een silhouet beweegt achter het raam. Iemand die lacht, misschien, of praat. Ik vraag me af of diegene ook wel eens stilvalt. Of diegene ook wel eens denkt: waarom voelt het voor mij zo anders?
Een kleine zucht. Die vraag komt soms, zacht, voorzichtig en bijna alsof ik hem zelf niet helemaal wil horen. Waarom ik? Niet als verwijt, zeker niet als slachtoffer, meer als een zoektocht. Alsof ik probeer te begrijpen waar ik sta en waarom het pad soms zwaarder lijkt dan nodig is.
Heel even sluit ik mijn ogen. En ergens, heel diep onder die vraag, zit iets anders. Iets wat ik zelden hardop denk. Dat ik gezien wil worden. Niet om wat ik doe, niet om hoe sterk ik ben, maar gewoon om wie ik ben, als het even niet lukt.
Rustig open ik mijn ogen weer, de stad is nog steeds dezelfde, het licht, de geluiden, de beweging. En ik ook, niet gebroken en niet verloren. gewoon iemand die blijft gaan, ook als het zwaar voelt. Iemand die zijn vragen niet uitschreeuwt, maar ze wel draagt.
Dan sta ik op, loop naar het raam en sluit het zachtjes. Morgen doe ik weer wat ik altijd doe, probeer het opnieuw. Met dezelfde toewijding, met dezelfde stille kracht. Maar vanavond, heel even, laat ik die ene vraag bestaan. Zonder antwoord, zonder oordeel, alleen maar aanwezig.








Geef een reactie